De lucht boven Silverdale glinstert van hitte.
Geel, denk Angel. Fel, zinderend, alsof de zon zelf vergeet dat ze ooit iets anders was dan hitte.
Het staal van de oude watertoren kraakt, alsof hij elk moment uit elkaar kan vallen. Angel ligt languit op het tafelblad, zonnebril op, voeten tegen de torenpoot. Mary zit op de rand, benen bungelend, haar T-shirt schreeuwt “I’m easy to score”. Theresa probeert niet te kijken, maar Angel voelt haar blik elke keer terugkaatsen.
“Jullie weten dat dat shirt vulgair is, toch?” zegt Theresa. Mary lacht zonder op te kijken. “Vulgair? Het is gewoon humor.” Angel tilt haar bril op. Haar shirt leest: “I scored already”. “Ik had geen keuze, ze verkochten ze per twee.”
Ze grijnst, maar haar huid reageert. Verdomme, altijd dat lichaam dat haar verraadt.
Theresa zucht. “Ik snap niet waarom alles tegenwoordig om aandacht draait.” Angel: “Tuurlijk niet. Jij bent het enige meisje op school dat haar haar borstelt alsof het een misdaad is.”
Het klinkt grappig, maar het komt harder aan dan bedoeld. Ze haat dat haar eerlijkheid soms klinkt als slaan.
Theresa glimlacht flauwtjes. Angel ziet het prikken achter haar oren. Ze herkent die dunne grens tussen erbij willen horen en jezelf verliezen.
Een tijdje zeggen ze niets. Alleen het geratel van krekels en een verre motor. Angel gooit een steentje in de lucht. Mary volgt de boog met haar ogen. Theresa zwijgt. Angel voelt de hitte onder haar rug, het hout dat haar huid brandt, brandt haar gedachte niet weg. “Zeg iets. Laat jezelf zien. Of ik doe het voor je.”
“Oké. Tijd voor waarheid.” Theresa kijkt op. “Waarheid?” Angel voelt haar schouders spannen.
“Ja,” zegt Angel. “We zijn zestien. Tijd dat iemand iets opbiecht. Iets écht.”
Mary rolt haar ogen, maar lacht. “Je bedoelt, iets wat we later kunnen ontkennen?” Angel: “Precies.”
Theresa houdt haar adem even vast. Angel voelt het, de aarzeling, de honger naar toestemming. Ze kent dit spel. Ze haat dit spel. Maar ze weet ook: dit is hoe je iemand uit een schaduw trekt.
“Ik begin,” zegt Angel. “Mijn eerste leugen ooit? Dat ik ongesteld was, zodat ik een dag vrij kreeg.” Mary giechelt. “En ik zei ooit dat ik piano kon spelen. De halve klas moest eronder lijden.” Ze kijken naar Theresa.
Angel houdt haar blik vast. Niet als aanval. Als uitnodiging.
“Ik heb niet zoveel leugens,” zegt Theresa. Angel tikt met haar nagel op het tafelblad. “Dat was er één.”
En dan komt het. Theresa zucht. “Mijn ouders… zouden niet begrijpen waarom jullie dit grappig vinden.” Mary leunt iets naar voren. “Waarom niet?” Theresa kijkt naar de grond, ziet hoe haar schaduw tegen de houten planken beweegt. “Ze waren… religieus,” zegt ze zacht. “Niet gewoon kerk-op-zondag religieus. Meer… alles-draait-om-reinheid religieus.”
Angel floept haar zonnebril omhoog. “Van die witte-gewaden-types?” Haar stem klinkt scherper dan ze bedoelt.
Theresa glimlacht wrang. “Zoiets.” Ze slikt, voelt haar keel branden. “En toen ik veertien was, vonden ze dat ik niet meer… zuiver was.” Mary’s stem wordt zacht. “Wat bedoel je?”
Angel voelt haar adem stokken. Ze kent dit. Niet letterlijk. Maar in haar lijf. De afwijzing. De stempel. De stilte.
Theresa kijkt naar haar handen, alsof ze zich herinnert dat het dáár begon, en dat het daar ook ophield. “Ze betrapten me terwijl ik…” Ze zoekt even naar adem. “…iets deed wat ieder mens doet als hij wil weten hoe hij gemaakt is.” Haar stem breekt niet, maar buigt. Alsof ze het al te vaak heeft verteld, in haar hoofd, nooit hardop. “Alleen bij ons mocht dat niet. Daar werd je niet nieuwsgierig, daar werd je getest.”
Niemand zegt iets. Alleen een vliegtuig in de verte. De wind schuurt langs de toren, alsof hij hun stilte niet verdragen kan.
Angel floept haar zonnebril omhoog. “Dus… ze hebben je weggestuurd? Voor dat?” Theresa knikt. “Ze hebben me gezegend, een zegen om me te reinigen. En daarna… hebben ze me verbannen.”
Mary kijkt haar aan. Niet verbaasd. Niet geschokt. Alleen… zacht. “Je woont bij dat pleeggezin?” vraagt ze na een tijdje. Theresa knikt. Mary’s hand rust even op haar arm. “Dan zijn zij niet je ouders. Jij bent jouw ouders.”
De zon lijkt ineens nog feller binnen te vallen. Alsof de waarheid zelf licht geworden is, te scherp om in te kijken.
Theresa’s eerste reflex is afweer, haar schouder spant, haar adem versnelt. Ze wil iets zeggen, niet aanraken, maar de woorden blijven steken.
Angel springt van de tafel en pakt haar bij haar andere arm. “O, hell no. Wij doen niet aan verbannen.” Ze drukt haar tegen zich aan. “Grouphug!” Mary lacht, aarzelend, maar sluit zich erbij aan.
Theresa’s huid voelt eerst als papier, te dun om aan te raken. Angel voelt het protest. Maar ze houdt haar vast. Niet om haar te fixen. Maar om haar te laten voelen: je bent hier. Je bent van ons.
De geur van zon, zeep en zweet, het breekt iets open. Niet hard. Eerder als ijs dat smelt.
Angel zegt, met haar kin tegen Theresa’s haar: “Weet je, als dat reden is om verstoten te worden, dan weet ik niet wat mijn ouders zouden doen als ze wisten wat ik allemaal gedaan heb.”
Theresa verstijft iets. “Met… jongens?” Angel grijnst. “Jongens, meisjes… wat er voorbijloopt. Liefde is liefde, toch?”
Theresa weet niet wat ze moet zeggen. Mary schiet in de lach. “Je bent onmogelijk, Angel.” Angel: “Nee, ik ben eerlijk.”
Theresa zegt niets meer. Angel voelt her adem. Haar spanning. Haar stilte. Ze zit gevangen tussen shock en opluchting, tussen haar opvoeding en iets wat op vrijheid lijkt.
De zon zakt langzaam, raakt haar gezicht en verwarmt het. Niet als oordeel, maar als iets dat haar aanraakt zonder iets terug te eisen.
Angel kijkt naar Theresa’s glimlach. Ze voelt de zon branden op haar eigen gezicht. Het is te warm, te echt. Ze weet niet of het geluk is of pijn. Maar het is geel. Altijd geel.