Ze liep verder. Haar pas hervond het ritme van de campus. Twee bochten, een trap naar beneden. De gang waar ze altijd zaten lag net buiten de zichtlijnen van de hoofdroutes. Voor Mary, Theresa en Angel was het hun vaste plek. Weg van de drukte. Weg van het zicht. Ze zaten op de lage rand van een fontein die al jaren droog stond. Mary’s schoenen schraapten ritmisch over de tegels terwijl ze naar de HUD-informatie keek die zachtjes over haar zicht gleed.
Theresa M. — 761
Angel D. — 504
Angel lachte kort. “Dat verklaart waarom zij altijd die rondjes draait om haar woorden. Zij calculeert elk zinnetje.” Mary knikte, zonder echt te luisteren. Haar blik gleed langs de bogen verderop.
Een windvlaag trok door de gang, blies bladeren over de tegels. Iemand had verse bloemen in de nis gezet, hun geur bijna te scherp tegen de muffe lucht van het oude gebouw.
Theresa plukte een blaadje van haar jeans en grijnsde. “Volgende week komt de nieuwe batch invites. Misschien filtert GRACE zelf wie geschikt is.”
Mary streek met weer met haar vingers langs haar horloge. “Niet iedereen zou gevraagd willen worden. Of überhaupt willen meedoen.”
Theresa keek op. “Waarom niet?”
Mary aarzelde. “Ik zag iemand vandaag. Poppy Kramer.”
De naam haalde Angel terug in het gesprek. Ze lachte zachtjes. “Jezus, Poppy? Volgens mij zou GRACE die niet eens kunnen opnemen. Die is echt te uniek.” Ze zei het luchtig, maar er zat iets in haar blik iets meewarigs. Misschien zelfs jaloers. Mary zei niets. Haar ogen volgden de lijnen in de tegels, tot aan de bloemen in de nis verderop. In haar hoofd bleef Poppy’s verschijning hangen: de vlekken op haar tuinbroek, de veren aan haar oren. Ongepast vrij. Buiten alles wat telde. Mary glimlachte vaag. Geen cijfer. Geen houvast. Ze voelde haar vingers kriebelen, de drang om haar eigen score te checken. Zich te verankeren in het onzichtbare web dat ze samen begonnen te spinnen.
Ze wist niet precies wanneer het begonnen was. Maar sinds GRACE… voelde ze meer innerlijke rust. De wereld voelde duidelijker. Misschien zelfs minder gevaarlijk. Maar iedereen buiten dat netwerk. Die begon te vervagen, was onbekend. Er kwam geen exact moment. Geen melding. Geen sprong. Alleen een geleidelijke verschuiving alsof het systeem eerst haar ogen kalibreerde, en daarna langzaam haar denken. Niet dwingend. Meer als water dat sijpelt in haarscheurtjes, tot het overal zit. Mary merkte het pas toen ze iemand zag die ze kende, maar niet herkende. Geen HUD-informatie. Geen score. Alleen een gezicht, los en leeg, als een ongedefinieerde gedachte. En het leek alsof haar hersens niet meer de data konden bereiken om te identificeren wie het was. Het gebeurde vaker, nu. Haar wereld werd scherper. Maar ook kleiner. Iedereen binnen het systeem kreeg contouren. Gewicht. Cijfers als ankerpunten. Maar de rest de gezichten zonder markering, de lichamen zonder profiel begonnen te vervagen. Niet uit kwaadheid. Uit functie. Alsof haar blik alleen nog scherpstelde waar GRACE al had gekeken. ’s Avonds in haar kamer viel het haar op hoe stil ze geworden was. Niet uit angst, maar uit afstemming. Ze bewoog anders. Sprak doordachter. Lachte selectiever. Zelfs haar ademhaling leek gecureerd. En ze was niet de enige. GRACE hoefde niets op te leggen. Het systeem duwde niet. Het verschoof. En de wereld schoof mee. Mary voelde zich er prettig bij. Alles werd duidelijker. Gekaderd. Alsof vaagheid een keuze was die ze niet langer hoefde te maken. Op een ochtend, op weg naar haar college, bleef Mary stilstaan op de hoek van het plein. Haar ogen bewogen langs banken, hoofden, schaduwen. Overal kleine gebaren. Blikrichtingen. Houdingen.